Kuifje in Jappadocië

25 februari 2011 - Ürgüp, Turkije

Ik ben in Azië terecht gekomen en dat valt op geen enkele manier meer te ontkennen. Op dag 1 van de georganiseerde excursie door het Centraal-Turkse vulkaanlandschap van Cappadocië (Perzisch voor goedgekweekte paarden, wat klopt met Marco Polo's beschrijvingen die ik eerder las) word ik gedropt in een busje vol Japanners. Niet alleen de vele grillige vormen die de erosie gebeeldhouwd heeft zijn een attractie, mijn Aziatische medereizigers zijn minstens een evenwaardige bezienswaardigheid.

Voor de eigenlijke uitstap is er echter nog een ontbijt in het hotel waar ik ook de nacht zal doorbrengen. Het even mooie als verlaten Griekse landhuis straalt een desolate sfeer uit. De uitbater dient het ochtendmaal op, in een grotachtige kelder (typisch voor de streek), die 's avonds in warmere tijden ook dienst doet als discotheek - dat vertelt me de spiegelbol aan het plafond. Het eten is goed, het gesprek met de hotelier wat voorspelbaar. Tot blijkt dat hij België goed kent en spontaan Leuven noemt. Navraag leert dat hij er ooit een Belgisch lief had. Een wrang Romeo- en Juliaverhaal volgt: zij Katholiek, hij Moslim, haar ouders zagen hem niet zitten als schoonzoon. Zij kiest uiteindelijk voor haar familie, hij keert terug naar Turkije. Later zie ik aan de receptie een zwart-witfoto van een fiere jonge Turk voor een gotische kathedraal, als stille getuige van een oud drama. Het wordt stil na zijn verhaal. De verteller zet muziek aan en laat me alleen verder eten. Met take my breathe away dat de intrieste ruimte vult komt een gepast einde aan de scène die Jan Eelen bedacht had kunnen hebben.

Wat later staat, stipter dan verwacht (te laat, moi?), een minibusje voor het hotel. Met een wagen volgeladen vol met reislustige Japanners vertrekken we. Op het programma staan bezoeken aan uitzichtpunten, oude rotswoningen (uitgekerfd uit het zachte vulkanische gesteente), hele ondergrondse steden en een wandeling door de Roze Vallei (geen homoresort maar genoemd naar de kleur van de zichtbare steenlagen). De clichés over fotograferende Japanners worden volop bevestigd. Het moment suprême is echter het bezoek aan de lokale sierradenwinkel. Een geroutineerde Turkse verkoper, bijgestaan door een Japanse tolk voor de simultaanvertaling staan garant voor een bijzondere ervaring - voor de liefhebbers van exotische verkooptaferelen staat er een fragment bij de video's.

De twee dagen toeristische rondleiding waren kortom tijdsbesparend en gaven een goed beeld van de streek maar het is me nu ook definitief bevestigd dat het interessantste aan georganiseerde rondritten nog het observeren van de medereizigers is.

De avond tussen de georganiseerde dagen vul ik met een bezoek aan de plaatselijke hamam, een Ottomaans koepelgebouw vol marmer van 110 jaar oud met Turks stoombad en bijhorende massage. Dat voor een prijs waarvoor je in het sanadome net een badjas kan huren. Op zoek naar een restaurant dat de reisgids aanraadt beland ik elders maar daar krijg ik geen spijt van. Onder het genot van een glas lokale wijn - de streek staat er bekend om - en luisterend naar een trio dat traditionele muziek speelt (een saz, een soort harp en een trommel) krijg ik een pannenkoek gevuld met spinazie en kaas geserveerd. Ondertussen schrijf ik nog een stukje. De patron biedt me tot slot een dessert aan van het huis en nagenietend vraag ik vraag me af of ik dit te danken heb aan de Turkse gastvrijheid of mijn (met een notieboekje en notebook benadrukte) michelinspecteuraura.