Op de grens van de waanzin
19 maart 2011 - Asgabat, Turkmenistan
Voor ik in de taxi stap naar het busstationn van Mashhad maak ik nog een praatje met de voormalige buur van Vali. Als hij me vertelt dat zijn vrouw de Himalaya beklimt krijg ik even een flashback naar De Duivelsverzen. Vooralsnog zonder horens en bokkenpoten stap ik uiteindelijk op het busje naar Quchan en neem van daaruit een taxi naar de grenspost in Bajgiran met Turkmenistan. Als ik de taxichauffeur uitspeel tegen de plaatselijke geldwisselaars gaan ze bijna op de vuist. Ik kies manats voor mijn geld en ga het douanekantoor binnen.
Na een onverwachts vlotte tocht voorbij talloze controleurs, stempeltypes, proformadokters en een schare militairen sta ik dan eindelijk in Turkmenistan. In een volkswagenbusje (dat was even geleden, in Iran zie je alleen plaatselijke merken en Peugeots die ook in Iran geassembleerd worden) worden we tot de volgende controlepost gebracht. Daar beland ik in een hevige discussie met de taximaffia die 40 dollar vraagt voor een rit van 7 kilometer en besluit ik, niet gespeend van enige heroïsche dramatiek, naar de hoofdstad Ashgabat te wandelen. Nog wat verder overtuig ik een trucker om me voor 5 dollar een lift te geven. Ik word echter ontdekt door de taximan met de verdacht chique wagen en na een woordenwisseling tussen hem en de vrachtwagenchauffeur kan ik alsnog met de taxi. De overnachtingsplaats die de Lonely Planet adviseert blijkt gesloopt ten voordele van protserige luxeflats. Voor 10 dollar word ik afgezet (in beide betekenissen van het woord) bij een witmarmeren hotel waar Ashgabat bekend om staat. De verhalen kloppen, als ik binnenkom is het totaal verlaten en nog volop onder constructie. De kamer die ze aanbieden, voor 55 dollar zonder ontbijt, is zwaar overprijsd. Omdat ik de chauffeur die me vertelde dat alle hotels in het centrum volzet zijn vanwege het Turkmeense nieuwjaar toch niet helemaal betrouw waag ik een gok en stap op een bus.
Na het vrij goed Engels sprekende Iran beland ik in een andere wereld. Niemand verstaat ook maar iets van wat ik probeer te zeggen en zelfs het tekeningetje van een trein uit mijn icoon-boekje blijkt vatbaar voor interpretatie. Ik maak van de nood een deugd en blijf de hele route op de bus zitten. Voorbij het raam passeert een wereld van lege straten omgeven door glimmend marmer, armoedige sovjetwijken, keurig en kleurig geklede jongens en meisjes op de terugweg van school. De buschauffeur waar ik een paar hopeloze conversaties mee hou, zet me uiteindelijk af bij de Amerikaanse ambassade. Die ligt, zo blijkt, pal in het centrum en recht tegenover het aanbevolen hotel Ashgabat. Tot mijn niet geringe opluchting is er nog een kamer beschikbaar. De schuilkelder in deze absurde politiestaat is alvast geregeld.
