Te Mashhad op de bergen

18 maart 2011 - Mashhad, Iran

Vali, de flamboyante uitbater van het huishotelletje waar ik verblijf in Mashhad, is vastberaden. Mijn laatste stop in Iran moet er een zijn die me met een goede nasmaak het land uitleidt. Over de smaak van het eten kan ik in ieder geval niet klagen, de vrouw des huizes weet keer op keer de meest delicieuze gerechten op het vloertapijt te toveren. Tijdens het ontbijt ontmoet ik Stephane, 28, half-Zwitsers, half-Frans, opgegroeid in Italië en tot voor kort werkend in Brussel voor de EU. Niet geheel toevallig reist hij ook de zijderoute af, zij het via een andere -meer bergachtige- route. Het eten wordt gekruid met de sappige anekdotes van Vali. Hij is net terug uit Yazd waar hij enkele nachten verbleven heeft in het Silk Road Hotel, een soort inspiratiereisje of, wat sterker gezegd, industriële spionage. Gewiekst is hij zeker, maar door zijn openheid van zaken stoort het in het geheel niet.

Mashhad is hét pelgrimsoord van de Sjiitische moslims in Iran. Het schrijn waarin imam Reza -niet toevallig ook de naam van Vali's zoon- is opgebaard trekt jaarlijks zo'n 3 miljoen bezoekers. Dit jaar ben ik één van hen. De vlot Engels sprekende Mollah die me rondleidt vertelt dat zelfs hij hier bij de ingang gefouilleerd wordt na een bomaanslag in 1994 geleden door de zogenaamde Wahhabi's. De PR en de financiën zijn hier in ieder geval goed geregeld, er wordt me nog een zakje toegestopt met glimmende foldertjes die het leven van Reza bewieroken.

Op mijn laatste volle dag Iran trekken Vali, Stephane en ik de bergen in. We bezoeken er nog -dixit Vali- de ongerepte dorpjes Kang en Abrdeh die inderdaad vrij authentiek aandoen. Hier komen, op de mensen die Vali rondleidt na, duidelijk geen toeristen. Beiden bestaan uit een hoop uit leem opgetrokken woningen die tegen een bergflank aanleunen. Bij een familie gaan we op de thee en krijgen we een rondleiding in het huis. Het zal er niet veel anders uitgezien hebben 100 jaar geleden. In ruil voor wat zakgeld zingen de kinderen enkele liedjes. Navraag maakt duidelijk dat de zoetgevooisde klanken  lofzangen over de terugkeer van Ayatollah Khomeini zijn die ze hier op de basisschool leren.

Een wandeltocht door het dorre gebergte brengt ons naar een bar in het volgende dorpje waar we onthaald worden op "dizze", een plaatselijk gerecht op basis van linzen, kikkererwten, tomaten en schapenvlees- en vet. Je krijgt er zelf een soort stamper bij om wat er overblijft na het oplepelen van de soep tot een soort moes te prakken. Vali weet ons met zijn brede glimlach te vertellen dat dit eten nog beter was voor de revolutie: toen mochten er ook nog schapentestikels in.

We nemen de bus terug, krijgen nog een rondleiding doorheen het tapijtenwinkeltje van onze gastheer (had ik al gezegd dat het een gewiekste verkoper is?) en mogen voor een laatste keer een copieus avondmaal naar binnen spelen. Tevreden kijk ik terug op het laatste stukje Iran, met onverwachts nog een inkijkje in het dorpsleven.

Foto’s